on eight squared squares

to play or not to play



acht tot de macht twee
Op vier en zestig velden,
elk veld een jaar,
nog twee te gaan,
staan acht paar witte helden.

Al door zijn klok gegaan is zwart,
de nood der tijd was daar,
Voorbij de laatste rij,
één tik, een hevig kloppend hart. 

Ik zet nu recht, voor waar.
De liefde, wonderbaar,
maar zelden licht;
de trage smart,
zo sluipend zwaar
en het vergeten weten.

De dames, die zo telden,
ze liepen recht of schuin, 
een lange baan, van acht, 
meer is niet toegestaan.
[wel voor het stuk te velde]

Het paard springt schuin èn recht,
als koningskat, nog ongeknecht,
heel even, zwevend, vrij,
van kant en wand en zijden.
De torens van ivoor en been
[er is nog moed te melden]  
zijn niet gezwicht,
[oke, soms één] 
voor het gewicht,
van klei en veen,
waar zilverlingen gelden.


De zon is weg, t'ís eindelijk klaar,
de zomer is voorbij.
 
Nog schijnt de volle maan, 
verlicht het loperpaar,
van oost en west, en van terzij.
En waar hun paden snijden,
passeren zij elkaar,
van heel nabij,
maar niet te dicht, 
om botsen te vermijden.

En pion, muon, nuon, ..., en zo voort,
oneindig in getal en woord.

uit "Vier in 't Vierkant" van
drs. j. buik (2006)