/* voorbeelddialoogjes */ /* D1: de gebruiker gaat verder in op het antwoord dat het systeem gaf op zijn eerste vraag */ U: Welke spieren zijn betrokken bij RSI? S: rsi-klachten hebben voornamelijk betrekking op spieren in de armen, handen en de nek. U: dus niet de rugspieren? S: welke spieren zei u? U: in de rug S: pijn in de bovenrug komt ook wel voor als rsi-klacht U: oke, bedankt end /* D2: het systeem start een subdialoog voor verificatie, waardoor de gebruiker een correctie kan toepassen */ U: hoe weet ik of ik rsi heb? S: wilt u informatie over de oorzaken van rsi? U: nee, hoe kan ik rsi herkennen S: wilt u informatie over de symptomen van rsi? U: precies // tekst afkomstig van site rsi-vereniging.nl S: Er is sprake van het RSI-syndroom (bron: Jip Driehuizen & Carien Karsten in Omgaan met RSI; hoe je voorkomt dat het chronisch wordt, 2002) als: ... // U: bedankt voor de info. end /* D3: op de vraag van de gebruiker stelt het systeem een wedervraag met daarin vervolgopties voor de gebruiker */ U: Waardoor kan RSI ontstaan? S: De risicofactoren worden verdeeld in drie groepen: persoonsgebonden, omgevingsgebonden en activiteitgebonden factoren. Waar wilt u informatie over? U: wat zijn persoonsgebonden factoren? S: Over persoonsgebonden factoren heb ik het volgende: Het is bekend dat RSI vaker voorkomt bij vrouwen en jongeren. Verder zijn er de volgende persoonsgebonden factoren die invloed hebben op het krijgen van RSI: lichaamsbouw verminderde conditie hypermobiliteit plichtsgetrouwheid hoge eisen stellen aan werk gemotiveerdheid. U: als je hypermobiel bent, beweeg je toch veel? S: veel bewegen heeft een preventieve werking, mits dit gepaard gaat met veel afwisseling en voldoende rust. RSI kan grofweg ontstaan door het maken van steeds dezelfde bewegingen (dynamische RSI) en door gebrek aan afwisseling (statische RSI). // nu onstaat een subdialoogje waarin de context belangrijk is, i.h.b. de topic-structuur U: aha da's duidelijk, en hoe zit het met de andere factoren? S: wat wilt u precies weten over de andere persoonsgebonden factoren? U: nee, ik bedoel die andere twee groepen factoren die je noemde. S: Ok. Over omgevingsgebonden factoren heb ik het volgende: [tekstfragment] activiteitgebonden factoren: [tekstfragment] U: oke bedankt. S: graag gedaan. end /* D4: wederom gaat de gebruiker inhoudelijk in op het antwoord van het systeem */ U: komt RSI vaak voor? S: In 2003 heeft een op de vijf mensen RSI-klachten U: O, en hoe is dat nu? S: dit zijn de meeste recente gegevens die ik kan vinden over de omvang van RSI. U: aha, jammer. in ieder geval bedankt voor de informatie. S: Graag gedaan, prettige dag nog. end /* D5: illustratie van multimodaliteit (aan de presentatie-kant) in dialoog... */ U: Welke spieren zijn betrokken bij RSI? S: deze zijn aangegeven in de onderstaande plaatjes [een serie plaatjes word naast elkaar getoond] U: kun je het derde plaatje van links wat vergroten? S: [het betreffende plaatje wordt vergroot getoond] U: o sorry, het tweede plaatje, die met die nekspieren S: [het andere plaatje wordt vergroot getoond] U: ja, die ja S: wilt u meer informatie over nekklachten als gevolg van rsi? U: nee, het plaatje nog wat groter als het kan. S: [plaatje nog groter] zo goed? U: dit is voldoende. bedankt. end /* D6: illustratie multimodaliteit, nu ook in de gebruikersinvoer */ U: kunt u een plaatje vinden waarop staat hoe ik achter de PC moet zitten? S: [toont een aantal plaatjes met zithoudingen] welke plaatje heeft uw voorkeur? U: [wijst een plaatje aan] S: [plaatje wordt vergroot weergegeven] U: he nee, ik bedoelde die andere S: [terug naar de klein afgebeelde plaatjes] welke? U: [wijst opnieuw aan] S: [ander plaatje vergroot weergegeven] U: oke, daar een printje van graag S: [stuurt printopdracht] end